×

HOE WERKT HET

1 Vind jouw thermische olie.
2 Vraag een offerte aan.
3 Wij nemen zsm contact op.

Als je vragen of problemen hebt, kan je altijd mailen naar info@rodun.nl of bellen met +31(0)40 204 9479

OPENINGSTIJDEN

Ma-Vrij 9:00 - 18:00

HTF Systeem

EXPANSIEVAT

Gewoonlijk wordt het expansievat op het hoogste punt van het systeem geïnstalleerd en aangesloten op de zuigzijde van de pomp. Het kan ook worden aangesloten op het primaire circuit deel van de installatie op het laagste drukpunt. Het zou moeten dienen als het hoofd ontluchtingspunt van het systeem en draagt ook zorg voor de vloeistofuitzetting, die 25-30% van het totale systeemvolume kan zijn. Het feitelijke vloeistof uitzettingsvolume hangt af van de fysieke eigenschappen van de gekozen vloeistof en de bedrijfstemperatuur van de installatie.

Alle expansievat afvoerleidingen dienen in een zodanige route geïnstalleerd te zijn, bij voorkeur via een gekoelde condensor, naar een veilige externe locatie, zodat de condensaat-damp niet in werkruimten kan binnendringen. De normale ontwerpkeuze zal het expansievat uitgevoerd zijn met dubbele aansluiting die bij normaal gebruik voor meer flexibiliteit zorgt dan een expansievat met één aansluiting met ontgassingstank en temperatuurbuffertank. Met aandacht voor ontwerp, met name voor ontluchtingssystemen voor niet condenseer-bare vloeistof en water, kunnen beide ontwerpen met één leiding of als dubbele leiding gebruikt worden en kunnen uitstekend functioneren.

Laag kokende delen en vocht dient te worden opgevangen in een “cold Seal” tankje. Dit tankje dient met enige regelmaat te worden afgetapt en te worden opgenomen in het reguliere Onderhoudsschema van de installatie.

Een effectieve manier om oxidatie of degradatie van de thermische vloeistof te minimaliseren is om het systeem af te dekken met een inert gas zoals bijvoorbeeld stikstof. In kleine systemen kan de stikstof worden vervangen door een “cold Seal” tankje of een expansieleiding gevuld met systeemvloeistof die op lage temperatuur wordt gehouden.

FILTERS

Voordat een nieuwe thermische installatie wordt gestart, dient er een zeef met draadgaas in het pompgedeelte te worden geïnstalleerd. Deze grove filter manden kunnen worden verwijderd na het verwijderen van afval (metaaldeeltjes, lasdruppeltjes, moeren) etc. bij het opstarten om te voorkomen dat de pomp(en) al direct beschadigd worden. Na die opstart periode is het aanbevelingswaardig om een fijn filter in “bypass” te gebruiken om de degradatie producten van de olie op te vangen en af te voeren.
Filterelementen zijn gewoonlijk glasvezel patronen tot 300°C of gesinterde metalen filters bij hogere temperaturen met een fijnheid van 5-20 micron. Deze filters vereisen een aanzienlijke druk val tussen de inlaat en de uitlaat van de bypass.

PAKKINGEN

Aanbevolen flensafdichtingen voor hoge temperatuur-warmteoverdrachtssystemen zijn spiraalgewonden of grafiettypen die voldoen aan de API 601- en DIN 4754-specificaties.
Standaardmaterialen voor spiraalgewonden flenspakkingen zijn type 304 roestvrijstaal en puur grafiet. Om lekken met spiraalgewonden pakkingen te voorkomen, is het belangrijk om goed gevlakte flenzen te gebruiken, waardoor staalbouten en zelfs compressie van de pakking materiaal tijdens het vastschroeven van de bout mogelijk zijn. Grafiet pakkingen zijn een acceptabel alternatief voor vele toepassingen. In het algemeen zijn foliepakking met verschillende bindmiddelen niet geschikt voor Therminol 66 en sommige andere vloeistoffen vanwege incompatibiliteit van de bindmiddelen met deze vloeistoffen, die door Therminol-66 e.a. worden opgelost.

VERWARMINGSKETELS

De ketel kan elektrisch, stookolie of gasgestookt zijn en is de meest kritieke component bij het ontwerpen van een warmteoverdrachtssysteem voor gebruik met Therminol vloeistoffen. Met de juiste balans van verwarmingscapaciteit, temperaturen en vloeistofsnelheid wordt de levensduur van de warmteoverdrachtsvloeistof verhoogd tot een optimaal niveau. Een andere belangrijke factor voor de gebruiksduur van de vloeistof is dat systemen moeten worden beschermd tegen verontreiniging met vreemde materialen.

Twee basisontwerpen van verwarmingsketels voor gebruik met Therminol vloeistoffen zijn vloeistofbuizen en gestookte buizen. In de een wordt de olie door de leiding gepompt terwijl de hete gassen de leiding dus ook de olie verwarmen, de ander is precies andersom, daarin worden hete gassen door een leidingsysteem gevoerd die de olie op die manier verwarmen voor de warmteoverdracht.

Wanneer de bulk temperatuur hoger dan ongeveer 240 ° C (460 ° F) vereist zijn, dient een vloeistofbuisverwarming worden gebruikt, tenzij een specifiek ontwerp van de verwarmer wordt bedacht om een gelijkmatig constante turbulente stroming van vloeistof over de oppervlakken van de verhittingsbuis te forceren.

De meeste Therminol vloeistoffen zijn in de vloeistoffase bij het overbrengen van warmte. Om “hot spots” in de ketel te voorkomen, dient de vloeistof met voldoende snelheid over of door de verhittingsoppervlakken worden gepompt, zodat er geen vloeistofstagnatie optreedt. Aangezien verwarming niet perfect uniform is in verwarmingssystemen met een gasvlam, moeten de maximale hittestress omstandigheden worden berekend om te bepalen welke filmtemperaturen zullen worden aangetroffen.

Vloeistofsnelheden over warmteoverdrachtsoppervlakken moeten relatief hoog zijn om een juiste turbulente stroming te ontwikkelen. Dit helpt buitensporige filmtemperaturen te voorkomen die nadelig of schadelijk kunnen zijn voor warmteoverdrachtsoppervlakken en of voor de vloeistof. De fabrikant van de ketel moet worden geraadpleegd voor de vereiste stroomsnelheden.

ISOLATIE

Organische warmteoverdrachtsvloeistoffen, zoals Therminol-vloeistoffen, hebben een langzame oxidatiereactie met lucht in de aanwezigheid van isolatiematerialen wanneer de vloeistoftemperatuur hoger is dan 260 ° C (500 ° F). Poreuze isolatie, zoals calciumsilicaat, biedt een groter reactieoppervlak met slechte warmteafvoer, welke, samen met mogelijke katalyse van het isolatiemateriaal, een temperatuuropbouw kan veroorzaken. Deze temperatuurstijging kan resulteren in ontbranding van de vloeistof wanneer de verzadigde isolatie wordt blootgesteld aan lucht, zoals voor reparaties.

Dit fenomeen wordt niet volledig begrepen, maar lijkt niet op te treden met cellulair glas, mogelijk vanwege de gesloten celstructuur. Cellulair glas moet worden gebruikt in alle gebieden waar lekkage mogelijk is. De belangrijkste lekgebieden zijn meestal in de buurt van instrumentaansluitingen, kleppakkingen, flenzen en andere afgedichte oppervlakken. Verwijder uit voorzorg elke bron van lekkage onmiddellijk. Vervang lekkende pakkingen en met olie doordrenkte isolatie en herpak klepstelen. Bedek isolatie waar lekken kunnen optreden met metalen afdekkingen. Installeer kleppen, waar mogelijk, met de stelen in een horizontale positie zodat lekkende olie weg kan vloeien van de isolatie.

FLENZEN

De lay-out van het leidingsysteem die Therminol-warmteoverdrachtsvloeistoffen gebruiken, moet zodanig worden aangepast dat de normale vereiste stroomsnelheid wordt bereikt bij een economische drukval.

Omdat het systeem temperatuurveranderingen zal ondergaan, is voldoende flexibiliteit om thermische uitzetting en krimping te ondergaan essentieel. Normaal carbon (40) staal pijp of een equivalent moet in het hele systeem worden toegepast. De neiging om te lekken door voegen en fittingen is een kenmerk met de meeste organische vloeistoffen, tenzij deze fittingen strak en correct zijn gemonteerd.

De beste manier om lekkage van leidingen te voorkomen, is om alle verbindingen te lassen. Waar toegang noodzakelijk is, worden flenzen met lasnekverbindingen aanbevolen.

Om te zorgen voor een goede plaatsing en afdichting van de spiraalgewonden pakkingen aanbevolen voor Therminol-vloeistofleidingen, moet deze procedure als volgt worden opgevolgd:

Reinig flensvlakken van losse roest en vuil. Verwijder lasspatten. Zorg ervoor dat de flens-vlakken geen uitsteeksels of groeven hebben en dat ze op de juiste manier zijn uitgelijnd, omdat pakkingen deze problemen niet kunnen corrigeren.

Controleer de tapeinden en moeren of ze schoon en vrij zijn van roest en draadafval en smeer de schroefdraad. De bout en koppel spanning worden bepaald door de leverancier van de pakking. Het koppel is ook een functie van de diameter en de dikte van de pakking.

Het aanhaalmoment wordt gemaakt door de tegenoverliggende tapeinden/bouten met kleine stapjes aan te draaien aan de vereiste momentwaarden. Zet de tapeinden/bouten in de volgorde 9, 3, 6 en 12 uur vast en herhaal met aangrenzende tapeinden/bouten.

POMPEN

De pompen moeten voldoende capaciteit en voordruk hebben om de vloeistof met de vereiste snelheid door het systeem te laten circuleren. Pompen zijn over het algemeen centrifugaal pompen sommige afdichtende lager systemen en of magnetisch aangedreven
pompen die aan de vereiste norm(en) dienen te voldoen Het pomphuis kan voor de meeste systemen van gietstaal zijn of kan van andere geschikte materialen, gemaakt voor gebruik bij zeer lage of hoge temperaturen.

Fabrikanten van pompen specificeren gewoonlijk, voor temperaturen hoger dan 200 °C , watergekoelde ringafdichtingen of, bij voorkeur, vloeistof of lucht koeling met een verlengde as afdichting en lager.

Op pompen met een stopbuspakking moeten ten minste vijf ringen van laminaire grafiet-pakking aanwezig zijn. Inert-afdekken van de afdichtingen met stoom of stikstof elimineert de vorming van afzetting van oxidatie materialen, wat kan leiden tot lekkage van afdichting. Een tweede afdichting biedt extra veiligheid in het geval van plotseling afdichtingsprobleem.

Ongeacht het geselecteerde pomp type, moet de stroomsnelheid regelmatig worden gecontroleerd aan de hand van de oorspronkelijk bijgeleverde pompkarakteristiek prestatiecurve. Om uitlijnproblemen en lekkage te voorkomen, is het belangrijk om incorrecte pijp ondersteuning, dat spanning op de pomp lagers kan veroorzaken te voorkomen. Elke pomp zou met een temperatuur sensor moeten worden uitgerust om in het geval van een pomp probleem deze uit te schakelen. Als er expansielussen worden gebruikt in de leidingen van de pompsectie, moeten deze horizontaal of verticaal naar beneden gericht zijn. Lussen mogen niet verticaal omhoog staan, omdat dit een val vormt die lucht en damp kan verzamelen die de pomp ernstig in capaciteit kan belemmeren.

KLEPPEN

Gesmede stalen kleppen met diepe stopbusdozen voldoen voor systemen met Therminol-vloeistoffen. Poort- en kogelafsluiters met een buitenschroef dienen overal in het warmte-overdrachtssysteem worden gebruikt. Poortafsluiters zorgen niet altijd voor een absoluut strakke afsluiting.

Verschillende soorten pakkingen worden gebruikt om klepstelen af te dichten op hoge temperatuursystemen en in het algemeen worden vijf ringen op klepstelen gespecificeerd om een goede afdichting te verzekeren. Klepsteel balgen zorgen voor een vrijwel lekvrije werking.

Bron: Eastman Chemical

TOP